Werk in wording

Uit mijn poëziedagboek
Literatuur
Philip Larkin

 

Een jaar geleden stierf Rogi Wieg. In diezelfde periode hielp Benno Barnard een collega bij het schrijven van erotische literatuur, en bladerde hij door het werk van de Franstalige Belg William Cliff. Het staat allemaal te lezen in zijn poëziedagboek: ‘authentieke dagboekaantekeningen, handelend over of losjes associërend met gedichten’. Staalkaart kreeg inzage. 

Benno Barnard

Een dag in de zomer (lui weer)

Gezeten aan de ontbijttafel schrijf ik een tobbende collega, die weifelt tussen twee versies van een erotische passage in zijn nieuwe roman: ‘Ik heb de zinnen vergeleken en kwam toen tot een derde oplossing, waarbij de erotiek misschien nog iets, eh, pregnanter is... (kun jij je ook nooit losmaken van de etymologie van woorden?).’

Tussen halflege eierdop en verkillende toast kom ik vervolgens met wat huisvlijt, die ik u verder bespaar.

Ik ben dol op dit soort gefröbel, maar het gevaar is dat je op je eigen byzantinismen verliefd wordt en ten slotte een soort gotiek produceert, die langs steeds ijlere spitsvondigheden in de wolken verdwijnt.

Maar waarom noteer ik dit in mijn arme, aan de dichtkunst gewijde dagboek? Omdat ik ook van proza dichtregels poog te maken, proza dus blijkbaar als een onbeschaafd voorstadium van de poëzie beschouw?

Klodder jam op koude toast, die tussen mijn tanden kraakt als... als... (nu doe ik het weer)... (als koude toast). 

 

Juli (kil)

Gisteren kreeg ik een uitnodiging om ergens in Nederland mee te debatteren over ‘de Europese droom’; het debat was gebaseerd op de premisse dat Europa een cultuur van ‘zachtmoedigheid’ had. Dat is ook zo, als we Alva en Mengele even vergeten. Maar, schreef ik terug, die zachtmoedigheid is ook onze achilleshiel, we zouden Europa nog in naam van de Europese humanistische waarden afschaffen. En dat ik liever niet mee kwam debatteren. Toen ik dat opschreef, verscheen voor mijn ogen prompt het beeld van dodelijk bleke ridders en van de als Lieftalligheid vermomde genadeloze vrouwe voor wie zij klaaglijk waarschuwden: ‘I saw pale kings and princes too, / Pale warriors, death-pale were they all; / They cried – ‘La Belle Dame sans Merci / Hath thee in thrall!’ Strofe nummer X van John Keats’ ballade La Belle Dame sans Merci.

Ik stuurde mijn mail en voelde – Europees! Christelijk! – hoe Schuldgevoel zich uitrekte, opstond en zich in de handen wreef bij deze gouden gelegenheid om mij te kwellen, zoals de Schone Dame de dichter genadeloos kwelt met een visioen van castratie.

 

22 juli

Drukproeven van Mijn gedichtenschrift ontvangen. Veel van de door mij geciteerde dichtregels zijn zomaar afgebroken bij gebrek aan ruimte in de benauwde bladspiegel. Mailtje naar de redacteur, die belooft het ‘elegant’ te zullen oplossen.

‘Elegant’... dat woord bevalt me. Gedichten moeten van mij stevig en elegant zijn (net als vrouwen). Dat gedoe met regelafbreking in de poëzie is overigens zo neurotisch als de pest. De rest van de poëzie trouwens ook. Evenals de gewoonte om eerst mijn rechterwang te scheren, de pen op mijn bureau links van de laptop te leggen, de eucharistie volgens de ritus van Canterbury te vieren en de psychologie op gezette tijden te vervloeken, ondanks het feit dat Freud al een eeuw geleden op het verband tussen religie en neurose wees. Bij deze gedachte hoort het fenomenologische sonnet ‘Neurotics’ van Philip Larkin (hij schreef het in 1949):

 

       No one gives you a thought, as day by day

       You drag your feet, clay-thick with misery.

       None think how stalemate in you grinds away,

       Holding your spinning wheels an inch too high

       To bite on earth. The mind, it’s said, is free:

       But not your minds. They, rusted stiff, admit

       Only what will accuse or horrify,

       Like slot-machines only bent pennies fit.

 

Dit was het octaaf. U kende toch Engels? Hebt u ‘stalemate’ opgezocht? Kende u ‘slot-machines’? Mooi zo, dan is hier de rest:

 

       So year by year your tense unfinished faces

       Sink further from the light. No one pretends

       To want to help you now. For interest passes

       Always towards the young and more insistent,

       And skirts locked rooms where a hired darkness ends

       Your long defence against the non-existent.

 

(Troost u, ook ik kom in Larkins gedichten soms een woord tegen dat ik niet ken.)

 

23 juli

Op de achterflap van Mijn gedichtenschrift komt dit te staan: ‘Honderd jaar geleden plachten ontwikkelde burgerdames in een speciaal cahier hun favoriete gedichten over te schrijven. De wereld Begon te vergaan toen dames ophielden een gedichtenschrift bij te houden.’ Dezelfde zinnen zijn te lezen in het prospectus van de uitgeverij.

Vanmorgen stuurt Daniel Cunin mij in reactie daarop deze aantekening: ‘Toen ik student was in Aix-en-Provence bezocht ik soms twee zusters “vieille France”, schattig ouderwets, van mijn leeftijd, die een dergelijk schrift bijhielden. Ze verzochten ook hun bezoekers er een gedicht of een citaat van een geliefkoosd auteur in te schrijven...’

Toen ik die ironische cri du coeur de wereld in stuurde, zag ik in corset geregen en in een donkere japon gehesen dames van rond 1900 voor me, die nooit in kleur geleefd konden hebben. Daniel was een jaar of negentig later student. Ziehier de onvermijdelijke conclusie: de wereld vergaat op haar dooie gemak.

 

Donderdag 11 juni 2015

Ik ontdek in mijn agenda dat ik vergeten ben iets te noteren over bovenstaande dag. En dus neem ik de Teletijdmachine, de ferry naar Dover, de trein vanaf Canterbury en de Underground – aldus beland ik op Cavendish Square, in Flanders House, waar ik vorig jaar nog de presentatie van een vertaling van Verhaeren luister mocht bijzetten.

Vandaag verschijnt A Public Woman, een keuze uit mijn gedichten, in een progressief perzikkleurig omslag. Ik ben nerveus maar goedgeluimd; de uitgever, mijn oude vriend Todd Swift (zelf een prima dichter), is goedgeluimd, al was het maar omdat hij nieuwe fondsen voor Eyewear heeft aangeboord; heel Londen komt me goedgeluimd voor.

De lancering van mijn werk in een baan rond het Britse Imperium gaat gepaard met een toespraak van Todd, die mij ‘a great European literary figure’ noemt, wat om een of andere imperiale reden groter en Europeser en literairder klinkt dan in het Nederlands; David Colmer leest een paar van zijn voortreffelijke vertalingen voor; de dichteres Jane Draycott, die al een bemoedigende blurb heeft geleverd, brengt fragmenten uit het titelgedicht (het boekje is naar de monoloog Het mens genoemd, een veertig pagina’s tellend gedicht voor een actrice van een jaar of zestig).

Na afloop van het formele gedeelte zet ik handtekeningen, drink de nectar der complimenten en het bier der Vlamingen; ach, ik voel me licht en gelukkig, ja, geheel verzoend met Vlaanderen, dat me zo gul onthaalt! Er zijn 300 exemplaren gedrukt, een oplage vergelijkbaar met de eerste druk van Keats’ gedichten.

Na afloop neem ik de nachttrein naar Canterbury, waar ik logeer bij onze oude vriendin Lady Kate Davson, een knettergek maar beminnelijk product van de Britse adelstand (ze was ook bij de presentatie); de volgende ochtend rijd ik dwars door de North Downs naar Dover en waan mij in een kinderboek.         

 

Een jonge Rogi Wieg

 

16 juli

Gisteren of eergisteren is Rogi Wieg gestorven: euthanasie, gekbehandeld tegen gekte, elektroshocks incluis. Luuk Gruwez vertelde me dit op het zonovergoten terras van De Gambrinus in Leuven. 

Kind van de Joodse familie Víg, die in 1956 uit Boedapest was gevlucht. In diezelfde stad heb ik hem in 1997 aan de universiteit meegemaakt: ik gaf zeven weken les over Nederlandse poëzie, aan studenten die vooral geïnteresseerd waren in de politieke betekenis van teksten – ze hadden tenslotte de revolutie van 1989 als pubers meegemaakt (toen ik vijf jaar later terugkwam aan de faculteit had deze belangstelling plaats geruimd voor een volstrekte apathie).

Rogi was danig onder de indruk van een gedicht van mij (‘De schipbreukeling’), wat me verraste en ontroerde. Dat hij geprogrammeerd was om gek te worden, zag ik toen niet aankomen: alle dichters zijn ietwat geschift. Lotje. Losse steek. Neurose. ‘Ik lijd aan obsessive-compulsive disorder,’ zei hij in 1997 – het was de eerste keer dat ik dwangneurose zo hoorde noemen. Medische omzwachteling van het drama in de prefrontale schors.

Laat mij Rogi eren met de allerlaatste woorden van zijn allerlaatste gedicht, ‘Het gedicht na mijn laatste gedicht (vandaag)’. Ze dateren van 15 april 2015 en zijn door Franc Knipscheer op de website van het literair tijdschrift Extaze gezet:

 

       Vandaag weer een eerste vers. Ik

       ben in leven als pijn waaruit

       de vlammen slaan op een veld

       dat brandt en de nachthemel bijlicht.

 

17 juli

Hester Knibbe schrijft me over de dode Rogi: ‘Rogi Wieg is verlost uit zijn lijden. Door een overmaat aan medicijnen (en elektroshocks?) was zijn bedrading zo in de war dat hij overal hevige pijn had. Maar een geest zo helder als kristal ofwel een taalgebruik om van te watertanden. Ik zag tijdens Poetry een documentaire met hem. Loepzuiver. Lijden, het is waar elke religie op drijft.’

Lijden, het is waar de hele psycho-industrie op drijft – want de religie van vandaag is de psychologie, waarvan ik de antichrist ben. Droef lachje.

 

Eind juli

Het ziet ernaar uit dat we na tien jaar eindelijk kunnen terugverhuizen naar Sussex: in de omgeving van ons beminde Rye hebben we een groot oud huis gevonden, in het dorp Brede. De pub ligt even verderop; achter de kerk van Sint Joris aan de overkant begint Narnia; het huis zelf is van doorleefde baksteen, opgestapeld in 1680 en smaakvol overwoekerd door klimop en blauweregen; daarbinnen eiken balken, plavuizen, manshoge haarden, het zuchten van vele voorouders – het bijbehorende Engelse werkwoord luidt rusticating.

Kijk, hier zit ik al in de tuin, waar mijn bewustzijn oplost in duizend kleuren en vervloeit met Sussex, nee, heel Engeland, dat volgens de Bard als een kostbare steen in de zilveren ring van de zee is gevat.

Maar voorlopig behelp ik me nog met een paar emmers zonlicht die de Belgische hemel over mijn terras uitgiet. Ik sluit mijn ogen. Zon. Zaligheid. In de letter z zit de zomer. Zzoem... een losse regel van Charles Lamb zoemt mijn oor in:

 

       And as it works the industrial bee

       Computes its time as well as we.

 

Geen idee waar dat uit afkomstig is. Het moet zowat tweehonderd jaar oud zijn: in modern Engels zou je industrious gebruiken, maar dat computes klinkt dan weer onweerstaanbaar hedendaags. Hoe zou Bilderdijk dit hebben geformuleerd? Als ik nu eens de moderne betekenis van industrial erin smokkelde?

 

       De bij die aan haar industrie zich wyd

       Woekert gelyck de mensch met tyd.

 

Of  klinckt dat meer als Jan Luycken?

 

William Cliff

  

Begin augustus

Waarom sta ik nu te bladeren in een oude bundel (uit 1976) van William Cliff? De naam van zijn uitgever duwt als vanzelf je wenkbrauwen omhoog als je de dichter kent: een morsig Waals kereltje dat ‘s nachts in Brusselse cafés op mannelijke bedpartners jaagt... maar literatuur en levensstijl zijn twee verschillende dingen. Het boekje in mijn handen heet Écrasez-le, en dat verpletteren slaat op de kerk van Rome: de gedichten zijn hartstochtelijk antiklerikaal en tegelijk vroom-homoseksueel. Eigenaardig dat sommige ervan mij zo ontroeren, met hun eenzaamheid, hun plotseling opwellende, paradoxale, Reve-achtige religiositeit, hun ik-weet-niet-wat:

 

       Mon Dieu mon Dieu comme il est difficile

       quand la nuit est déjà fort avancée

       de s’en retourner tout seul dans un lit

       trop grand pour un seul homme et son sommeil.

       A ce moment tragique pour beaucoup,

       la bière amère noie bien des esprits,

       des corps trop jeunes et purs se livrent aux vieux

       boucs de tavernes et se perdent avec toute

       la divinité en eux préservée

       jusqu’à cette heure où les destins chancellent

       ou pleurent de n’avoir pu s’écrouler

       avec d’autres carcasses dans la crasse

       anonyme des heureuses limaces.

 

De doorbloede steen die voor mijn hart doorgaat warmt altijd weer op bij de schaarse gelegenheden dat ik zo’n geweldig gedicht tegenkom, een serendiep gedicht om zo te zeggen, een gedicht dat ik helemaal niet zocht.

Wat mompelt u daar? U begrijpt het niet helemaal? Frans paste niet zo in uw belevingswereld toen u uw vakkenpakket samenstelde? Nou, dan vertaal ik het toch even voor u? Het heeft geen titel:

 

       Mijn God mijn God hoe moeilijk is het niet

       wanneer de nacht de nieuwe dag haast baart

       om eenzaam terug te keren naar een bed

       dat veel te groot is voor één man zijn slaap.

       Op dat voor velen tragisch ogenblik

       verdrinkt de bitterheid van bier het ik,

       te jonge kuise lijven geven zich

       aan oude kroegbokken, verzinken met

       alle goddelijkheid in hen bewaard

       tot het uur dat het lot wankelt, of huilt

       omdat het niet met andere karkassen

       wegzakken kon in het naamloos ongewassen- 

       wezen der gelukzalige naakslakken. 

 

 

Niets te danken. (Ik moet echt ophouden met dat geplaag – alsof ik niet zelf vijf woorden heb opgezocht.)

Benno Barnard (1954) is dichter, essayist, toneelschrijver en vertaler.