Pleinairisme, oftewel: een stapje in de wereld

De impressionisten in Normandië
Beeldende Kunsten
Monet

Hoe belangrijk was het licht van Bretagne voor de ontwikkeling van het impressionisme? Tal van artiesten trokken in de 19de eeuw de deur van hun atelier achter zich dicht en zochten de realiteit weer op. 

Eric Min

Wanneer een modeverschijnsel zich ontwikkelt tot een heuse praktijk of tot iets als een ideologie, wordt steevast het achtervoegsel ‘-isme’ uit de kast gehaald. Voor de kunst is dat niet anders. Elders in dit nummer kunt u lezen hoe de liefde voor artefacten uit het Oosten tot het japonisme heeft geleid. Monets doek Impression, soleil levant gaf zijn naam aan het impressionisme, en op haar beurt transformeerde deze beweging haar favoriete werkwijze tot een -isme. Sindsdien vatten we het ‘schilderen in de buitenlucht’ in de term pleinairisme.

Natuurlijk waren de impressionisten niet de enigen die met ezel en verfdoos naar buiten trokken. In de negentiende eeuw ruilden heel wat landschapschilders hun atelier in voor de echte wereld. Aanvankelijk wezen begrippen als realisme of naturalisme er gewoon op dat de dingen afgebeeld (of beschreven) werden zoals ze werkelijk waren, niet langer opgeleukt door de conventies van de academie of de goede zeden. De toename van de vrije tijd en enkele technische innovaties (verf in tubes! opvouwbare schildersezels! parasols!) zorgden ervoor dat almaar meer mannen en vrouwen in het bos of op de hei, in het park of op het strand gingen schilderen. Een heuse revolutie was het.    

Dit fenomeen was de aanleiding voor de kleine maar fijne tentoonstelling L'atelier en plein air. Les impressionnistes en Normandie, die dit voorjaar loopt in het Parijse Musée Jacquemart-André. De catalogus is als introductie tot het openluchtschilderen een echte aanrader.

 

Licht is alles

Het is vooral in Normandië dat de impressionisten en hun voorgangers een tweede thuis hebben gevonden. Strand en achterland waren perfect bereikbaar vanuit de kunstmetropolen Parijs en Londen, en het leven was er relatief goedkoop. De streek beschikte over troeven om kunstenaars te lokken: prachtige landschappen, fraai bouwkundig erfgoed en modieuze nieuwerwetse badplaatsen als Trouville of Deauville. Zo werd Normandië het openluchtatelier van grote namen als Monet, Renoir, Pissarro, Degas, Sisley of Morisot.

 

Morisot

 

De catalogus wijst er terecht op dat het impressionisme niet uit de lucht kwam vallen. Engelse landschapschilders als Constable, Bonington en Turner hadden eerder al de weg gewezen, maar het was een kind van de streek dat de beslissende aanzet gaf tot de stijl die de wereld zou veroveren. Eugène Boudin (1824-1898) was in Honfleur geboren en verbleef jarenlang in Le Havre en omgeving. Hij heeft prachtige strandgezichten geschilderd waarin het aparte licht van Normandië nu eens schalt en dan weer als parelmoer over de mensen en de dingen is gedrapeerd. Boudin was ook de mentor van de zestien jaar jongere Claude Monet, die later ook nog werd aangemoedigd door hun aller collega Jongkind. Goede leermeesters vinden is eigenlijk al het halve werk.

Tentoonstelling en boek vertellen hun verhaal aan de hand van een veertigtal (vaak minder bekende) schilderijen van al wie er toe deed, met fijne bijrollen voor figuren als Caillebotte, Dubourg, Cals en Eva Gonzalès. Zoals het hoort, heeft L’atelier en plein air niet alleen oog voor de kunstwerken op zich, maar evengoed voor de context. Er is dan ook plaats voor een geografische situering (met een kaart van het gebied) en voor een overzichtelijke chronologie. We leren dat vooral de Britten (en Jean-Baptiste Camille Corot) oog hadden voor het bouwkundige patrimonium van Normandië, terwijl hun collega’s vooral tuk waren op de strandgenoegens en het boerderijtje Saint-Siméon in Honfleur, dat enkele generaties artiesten heeft zien passeren. Heel wat werken werden gerealiseerd op de stranden of de promenades in Trouville, Deauville, Dieppe, Fécamp of  Grandcamp.

 

Turner

 

In 1865 portretteerde Whistler zijn kunstbroeder Courbet op het strand van Trouville. Monet was al even graag gezien in het stadje, terwijl Renoir, Gauguin en Pissarro vaak in Dieppe werden gesignaleerd en Signac een voorliefde had voor Port-en-Bessin. Het picturale buitenbeetje van deze collectie is Degas, wiens in de golven stoeiende naakten al in 1875 verrassend modern aandoen en aangeven welke wegen de schilderkunst rond de eeuwwisseling zou gaan bewandelen.

Ondanks al dit strandplezier blijven onze impressionisten stadsmensen. Van Monet wordt een straat in Rouen anno 1892 getoond, met het silhouet van de kathedraal in tegenlicht. Uit het kleine tableau blijkt heel duidelijk dat voor hem (en voor zijn volgelingen) het licht alles is, en de vorm pas op de tweede plaats komt. Heel toepasselijk worden de tentoonstelling en de catalogus in chronologische zin besloten met een 'Japanse brug in Giverny’ die Monet ergens tussen 1918 en 1924 borstelde. De vorm is opgelost in dikke vlokken kleur. Het werk herinnert ons eraan dat de schilder van 1883 tot zijn dood in 1926 in het dorp verbleef.

 

Toerisme

Met het boek in de hand is het ongetwijfeld heel fijn door Normandië cruisen. Ook de toeristische diensten van de regio zetten sinds kort stevig in op hun impressionistische verleden, met festivals, tentoonstellingen en de gestage herwaardering van het patrimonium. In Honfleur kun je bijvoorbeeld, weliswaar in een afzichtelijk gebouw uit de tweede helft van vorige eeuw, naar heerlijk werk van Boudin en zijn vrienden gaan kijken. Tussen de Japanners aanschuiven op Monets bruggetje in Giverny kan een beproeving zijn, maar gelukkig heeft de streek veel meer te bieden. En voor wie de verplaatsing niet kan of wil maken, biedt een kijkboek als dit een waardig alternatief. Alleen de verf en de zilte zee kun je niet ruiken. 

De tentoonstelling L’atelier en plein air – Les impressionistes en Normandie loopt nog tot 25 juli in het Musée Jacquemart-André, Boulevard Haussmann 158 te Parijs. http://www.musee-jacquemart-andre.com/

 

De catalogus L’atelier en plein air. Les impressionistes en Normandie, een uitgave van Mercatorfonds (192 p., 100 ill., ISBN: 9789462301276) is uit sinds maart en kost € 44,95. 

Eric Min (1959) studeerde wijsbegeerte aan de Vrije Universiteit Brussel. Sinds 1989 werkt hij voor de cultuurredactie van de krant De Morgen. Hij bericht over fotografie, literatuur en beeldende kunst.