Holland Festival 2016

In gesprek met directeur Ruth Mackenzie
Muziek
Ruth Mackenzie

Een gesprek met Ruth Mackenzie vereist snelheid. Reageren op een van haar typisch Britse plaagstoten moet je meteen doen, zoniet zit je nog schaapachtig te glimlachen terwijl ze alweer bloedernstig een artiest of programma belicht, becommentarieert, verdedigt of aanprijst. We hebben het over Syrië en opera, de fagot en Damon Albarn. Helpers weg... Go! 

Rudy Tambuyser

Te oordelen naar de joviale manier waarop Ruth Mackenzie me ontvangt in het benijdenswaardige Muziekgebouw aan ‘t IJ in Amsterdam, is ze een zeer coulante dame. Alles is perfect en wonderful, zelfs dat deze editie van Staalkaart nog verschijnt voor de aanvang van het Holland Festival 2016 op 3 juni.

Nochtans moet schijn bedriegen. Het palmares van Mackenzie – directeur van de Schotse opera, Manchester International Festival en London 2012 (het culturele programma van de Olympische Spelen), adviseur bij Barbican, London Symphony Orchestra, BBC, Wiener Festwochen... – hark je niet bij elkaar als je niet de hoogste standaarden hanteert in de keuze van kunstenaars en medewerkers. Met andere woorden: als je niet op tijd en stond “moeilijk” kan zijn.

Passie en betrokkenheid kenmerken Mackenzie. Wel twintig, dertig keer zal ze tijdens dit gesprek zeggen ‘dat ze erbij zal zijn, dat ze bij die interactieve voorstelling ‘zeker mee komt doen’, dat ze ‘dit niet zou willen missen’, of dat ze me een concert zeer warm aanbeveelt. En ze blijft sympathiek, zelfs wanneer ik er verkeerdelijk van uitga dat ze, immers nog maar vorig jaar aangetreden als opvolgster van Pierre Audi, pas dit jaar haar eerste écht eigen programma voorstelt. ‘Nee, het is wel degelijk mijn twééde programma voor Holland Festival. Ik ben begonnen in 2015.’

 

Mijn excuses, ik ging er van uit dat voor de editie-2015 zowat alles al besloten was toen u aantrad.

‘Wel, zo zal het nog lang duren vooraleer u een programma onverdeeld het mijne kan noemen. We brengen bijvoorbeeld ook aardig wat opera, en de operaproducties die we samen met de Nederlandse Nationale Opera opzetten worden vier, vijf jaar op voorhad gepland.’

 

Dan kan u voor Staalkaart alvast een tip van de sluier lichten omtrent de komende vijf jaar.

‘Dat zou ik kunnen, maar dan zou ik u ook moeten ombrengen [lacht niet]. Nu, ik heb veel geluk dat ik Pierre Audi (die ik al dertig jaar ken) mocht opvolgen, want hij is een briljante programmator. Zo hebben we dit jaar de wereldpremière van Theatre of the World,  de eerste opera van Louis Andriessen! Hoe fantastisch is dat? In principe kon ik hier arriveren als nieuwe directeur en zeggen: “De grootste levende Nederlandse componist, die na acht jaar met zijn eerste opera komt? Geregisseerd door de grote Pierre Audi en vormgegeven door de geniale gebroeders Quay? Nee, laat maar zitten.” Dat had ik gekund, ja. Maar weet u: ik heb het niét gedaan.’ [lacht eindelijk]

 

Ik denk dat ik begrijp wat u bedoelt. Sommige gegeven paarden kan je veilig in de bek kijken.

Holland Festival bestaat uit twee delen: Holland en festival. Hoe probeert u die twee in evenwicht te houden, voor zover dat de bedoeling is?

‘Het is het grootste podiumkunstenfestival in Nederland, opgericht in 1947, zowat samen met de festivals van Avignon en Edinburgh. Een mooie gedachte vind ik dat: geconfronteerd met de ellendige uitdagingen van de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog, kwamen gemeenschappen onafhankelijk van elkaar op het idee om grote kunstenaars uit te nodigen om hun publiek te inspireren voor de toekomst.

Ook vandaag hebben mensen kunst nodig. Eén van de thema’s dit jaar… Eigenlijk noem ik het liever niet zo, want bij Holland Festival volgen we kunstenaars, geen thema’s. Zij hebben de ideeën en we moeten hen vooral zo weinig mogelijk opleggen. Maar het is niet anders: nogal wat producties van deze editie vertellen iets over Europa. We noemden het the edges of Europe. De artiesten komen inderdaad van die rand, uit Egypte of Oekraïne of Estland..., al kunnen ze inmiddels net zo goed in Berlijn wonen. En allemaal zijn ze wat we in het Engels edgy noemen. Hebben jullie daar een woord voor?”

 

Ja, maar we zijn zo sportief om toe te geven dat ‘randerig’ niet goed bekt. ‘Op het randje’ kan wel, in sommige gevallen. Of ‘met een hoek af’.

‘Precies, ze weten te provoceren, ze dagen hun publiek uit. Ça ira van Joël Pommerat  gaat over de Franse Revolutie, het traumatische begin van het moderne Europa, maar toont vooral de overwinnaars die in een soort proto-parlement proberen uit te vissen hoe democratie zou kunnen ontstaan of zelfs maar wérken. De Egyptische kunstenaar Wael Shawky heeft het in Cabaret Crusades: the secrets of Karbala over de kruistochten vanuit het standpunt van de moslims: die thematiek resoneert nog steeds in het hedendaagse Midden-Oosten, hij is dus relevant voor ons. Milo Rau, ook in Brussel een regelmatige gast, brengt The Dark Ages, een stuk over het beleg van Sarajevo. Opwindende stukken allemaal, maar vaak niet om te lachen.’

 

Relevantie en humor laten zich dezer dagen maar moeilijk rijmen, vrees ik. Al komen we in de buurt met Chauvinism Scanner. Eerst dacht ik: aha, daar hebben we het ‘Holland’ in het Holland Festival. Een vergissing, zo blijkt.

‘Het gaat om een productie van een Oostenrijks gezelschap met een fantastische naam: God’s Entertainment. En geloof me: ook een chauvinist uit Antwerpen zal eraan moeten geloven. De voorstelling is gratis. Je bent de enige toeschouwer: luxueus [grijns]. Je krijgt een stukje theater waarin je leert hoe chauvinistisch je precies bent. De vraag is: durf je aan iemand vertellen wat het resultaat is? Ikzelf word gefilmd bij mijn sessie, ik kan niks verstoppen, mocht dat nodig zijn.

Nog meer Europa: de grote retrospectieve Stop acting now van Wunderbaum, een van onze grote compagnieën. [gespeeld terechtwijzend] Want ja, ook als je de beste kunstenaars ter wereld uitnodigt, zijn er Nederlanders bij. Simon Stone, die zijn naam op het Holland Festival heeft gemaakt met zijn ongelooflijke versies van Griekse tragedies – zo realistisch en waarachtig dat je had gedacht dat ze gisteren pas geschreven waren – gooit zich met Toneelgroep Amsterdam op Woody Allens Husbands and wives. Alsof hij de explosieve thuisrelaties die je in de Griekse tragedies vindt, op de specifieke, menselijke manier van Woody Allen wil belichten.

Van de vier programma’s die Wunderbaum dit jaar voor ons doet, wil ik er nog eentje speciaal vermelden dat ik er écht bij wilde: Privacy. Wine Dierickx van Wunderbaum en Ward Weemhoff van De Warme Winkel, ook in het echte leven een koppel, brengen een stuk over de grenzen van je publiek en je privaat leven. Al gravend in zichzelf geven ze zich meer en meer bloot, zowel letterlijk als metaforisch. Een ongelooflijk dappere voorstelling die je echt aan het denken zet. Ik heb moeten wenen, en dat wil echt wel wat zeggen. It’s really a hot ticket, I would say.’

 

U zei dat u geen thema’s, maar wel artiesten volgt. U gaat dus naar erg veel shows kijken en vraagt uw favorieten om iets nieuws, in de hoop dat het even goed zal zijn?

‘Het klinkt echt makkelijk zoals u het zegt. Ik doe dat niet alleen, hoor, we zijn met een heel team. Maar wat we doen, komt inderdaad daarop neer: de wereld afzoeken naar schitterende artiesten.

Soms zijn ze overigens dichtbij: Simon McBurney is een oude vriend van het festival, maar een nog oudere van mijzelf: ik volg hem al sinds we veertig jaar geleden samen studeerden. The Encounter is een van zijn beste stukken tot dusver, vind ik. Hij heeft het geschreven en geregisseerd, en speelt ook zelf – dat is best wel speciaal geworden, nu hij vaak in Hollywood werkt. Het is een tegelijk epische en intieme voorstelling, waarbij elke toeschouwer zijn eigen geluid krijgt. McBurney simuleert zo een sterk gekoesterde ervaring die hij al lang wilde delen: zijn vader, destijds op de rand van zijn bed gezeten, die bedtijdverhalen in zijn oor fluistert.

Maar we hebben graag de sterren van vandaag én die van morgen: Sebastian Nübling is zo’n rijzende ster. Hij was hier vorig jaar voor het eerst te gast. Dit jaar doet hij Melancholia, een dans- en muziektheatervoorstelling, met muziek vanaf Dowland en Monteverdi.’

 

Op een zo prestigieus festival iets programmeren dat u nog niet heeft gezien: dat vergt griezelig veel vertrouwen in kunstenaars.

‘Maar dat moét je hebben! Geloof maar dat Sebastian Nübling met iets prachtigs zal komen. Melancholia is een archaïsch woord voor het soort onbestemd existentieel ongemak: verdriet, zelfmoordneigingen, automutilatie, noem maar op. Dingen die extra pijn doen als je jong bent, en waarop je als jongere dus ook extra hevig reageert.

Met Damon Albarn heb ik eerder al voor Manchester International Festival en voor London 2012 gewerkt. Hij brengt voor ons de muzikanten van het Syrian National Orchestra for Arabic Music weer samen, die te horen waren op White Flag van Gorillaz [de virtuele band van Albarn en Jamie Hewlett, rt]. Daarvoor had hij opgenomen in Damascus. Even later passeerde ik daar zelf, ontmoette een paar van die muzikanten en ze zegden: “O, je komt uit Londen, dan ken je zeker Damon Albarn!” Wat grappig was, want er zijn zo’n tien miljoen Londenaars. Nog grappiger was dat ik hem inderdaad kende. Hoe dan ook, ze gingen samen op wereldtournee, maar verloren elkaar uit het oog door de oorlog in Syrië. Damon hoopt ze weer allemaal bijeen te krijgen in Amsterdam. Het zou mooi zijn, even te kunnen geloven dat kunst sterker is dan oorlog. Of toch minstens sterker dan landsgrenzen.’

 

U heeft uit Londen ook het idee van de Proms overgenomen.

‘We halen de stoelen weg van het parterre van het Concertgebouw, een van de beste concertzalen van de wereld. Voor 10 euro mag je de zaal in. En je staat, in plaats van te zitten, zoals gewoonlijk bij een klassiek concert.”

 

Zoals bij een festival.

‘Het is fijn om op die manier enkele topmuzikanten te kunnen aanbieden voor een prikje. Vorig jaar was het meteen een doorslaand succes. Tien euro voor een topconcert, en de volledige negen uur muziek voor 40 euro, dat is toch echt een koopje! Van Arabische muzikanten tot Kronos Quartet. Of je krijgt African Express – nog een uitvinding van Damon Albarn – met Afrikaanse muziekspecialisten uit onder andere Mali die ‘In C’ van Terry Riley spelen [een pionierswerk van het Minimalisme, rt]. Dat allemaal samen vormt natuurlijk een nogal... uitdagende mix. Maar dat is precies wat we bedoelen: vertrouw ons. Je gaat allicht niet alles kennen wat we je voorschotelen, maar neem van ons aan dat het de moeite waard is.’

 

Trust me, I’m a doctor.

‘Jazeker! Een festival moet een avontuur zijn. We vragen vertrouwen van het publiek, en we kunnen uiteraard niet beloven dat er geen risico’s zijn. De shows waarvan we de wereldpremière hebben, heb ik nog niet gezien omdat ze simpelweg nog niet bestaan.

Het Holland Festival is er voor de avontuurlijke kunstenreiziger. Het is voor mensen die iets nieuws willen, iets dat ze nooit zullen vergeten, en er ook wel een beetje als eerste willen bij zijn. Met het publiek hier in Amsterdam hebben we in dat opzicht veel geluk. Het zijn passionele, dappere mensen.’

 

Ik dacht dat u een bij uitstek internationaal publiek heeft.

‘Ik ken de exacte cijfers niet, maar het grootste deel van ons publiek komt zeker uit Amsterdam. Dan uit Nederland, en pas dan uit het buitenland. In Edinburgh is het net zo. Precies daarin schuilt de uitdaging voor mij. Het culturele leven in Amsterdam is van een heel hoog niveau. Ik moet het met Holland Festival opnemen tegen wat je hier sowieso elke week kan zien in het Concertgebouw of de Nationale Opera. In Edinburgh kan ik zeggen: “Hey, ik heb hier het Concertgebouworkest voor jullie met een Mahler-reeks!” Hier kan dat niet, want dan zeggen ze: “Fijn, maar so what?” Dus presenteer ik de geweldige Olga Neuwirth [Oostenrijkse componiste, rt], die hier minder bekend is, maar die ik ook in de toekomst nog naar hier zal halen.”

 

Ruth Mackenzie

 

Welke rare rol speelt de fagot dit jaar in het Holland Festival? Ik zag een spoedcursus fagot spelen, ik zag een slogan ‘Red de fagot’… Nooit gezien in een festivalprogramma.

‘Die campagne is behoorlijk viraal gegaan. Ik heb lang gewacht op een kans om eens iets te doen rond het feit dat sommige instrumenten bedreigd zijn in hun voortbestaan, zoals je dat bij de dieren ook ziet. Je moet de panda redden of hij verdwijnt. Wel, er zijn niet genoeg kinderen die fagot leren spelen. En als je te weinig fagottisten hebt, heb je uiteindelijk niet genoeg goéde fagottisten. Voor je het weet kan je de Sacre niet meer live gaan beluisteren [Le Sacre du Printemps, fetisjwerk van Igor Stravinski, begint met een aartsmoeilijke fagotsolo, rt].

We hebben dus een partnership opgezet met de concertzalen, met de vereniging van fagotleraars, met topfagottisten en scholen in het hele land om dit idee te lanceren. We hebben workshops georganiseerd, we hebben zeven componisten een opdracht gegeven voor kleine fagotstukken. Tijdens het festival sluiten we die campagne af met onder meer een concert van Pascal Gallois, een van de beste fagottisten van de wereld, en een crash course waarin je zelf kan leren spelen. [lacht]

Tegelijk met het afsluiten van de fagot-actie, lanceren we er trouwens een nieuwe voor de hoorn. Ik weet uit eigen ervaring hoe moeilijk dat instrument is, en begrijp de kinderen die voor dwarsfluit kiezen volkomen... maar we hebben hoornisten nodig. We starten met een wedstrijd voor een ringtone-ontwerp. De winnaar krijgt een compositieopdracht. Mooie prijs, toch?

We kunnen natuurlijk slechts een aanzet geven. Maar ons feest in juni benutten om eens luid te roepen, te triggeren en sensibiliseren? En volgend jaar de partners die het harde werk hebben gedaan vieren en bedanken? Graag.’

 

Ik ben jaloers. In Vlaandereen leunen we vrij sterk op de traditie van de oude-muziekfestivals, met een hoog niveau, maar haast altijd rond een periode of componist of historische omstandigheid gecentreerd, zodat er vaak meer lezing dan feest overblijft. Avant-garde als breed gedragen stadsfeest? Nog niet gezien.

‘Er is een goed festival in New York dat Serious Fun heet. Dat is voor mij wat een festival moet zijn: serieus plezier. Of prettige ernst. We mogen niet uit het oog verliezen dat de stam van het woord festival “feest” is. Je moet de zaken goed stofferen, maar anderzijds ook een soort sensatie teweeg te brengen, vergelijkbaar met een plots exploderende smaak in je mond: iets dat je nog nooit hebt geproefd.’

 

U heeft veel verschillende festivals geleid. Wat maakt Holland Festival speciaal?

‘Twee dingen. Ten eerste heeft Amsterdam de perfecte maat voor zo’n festival. Het is groot genoeg om qua publiek een solide thuisbasis te hebben, maar anderzijds is het niet zo groot dat het festival bij wijze van spreken ongemerkt voorbij zou kunnen gaan [lacht]. Je ziét het festival, de hele stad trekt haar feestkleren aan. Dat is geweldig. Toen ik in Manchester werkte, dat veel groter is, was ik jaloers op Amsterdam om hoe het er kon uitzien, helemaal opgetut en klaar voor het avontuur.

 

Ten tweede is het publiek van een uitzonderlijke kwaliteit: gul, dapper, avontuurlijk, ondersteunend. Men wil erbij zijn, risico’s nemen. Dit is de enige stad waar that’s a bit risky een aanmoediging is, in plaats van een blijk van twijfel. Kortom: dit is de beste job van de wereld.’