Bosch keert terug

met uitzonderlijke overzichtsexpo
Beeldende Kunsten
Jeroen Bosch, De aanbidding door de koningen, New York, The Metropolitan Museum of Art

 

Vijfhonderd jaar geleden liet Jheronimus Bosch (ca. 1450-1516) het leven. Weinig laatmiddeleeuwse schilders uit de Lage Landen spreken zo tot de verbeelding als deze ‘duivelskunstenaar’. Het Noordbrabants Museum in ’s-Hertogenbosch, de leef- en werkomgeving van de schilder, fêteert Bosch door het vergaren van een substantieel aantal van zijn overgeleverde schilderijen en tekeningen. Jheronimus Bosch - Visioenen van een genie is voorwaar een mijlpaal in het aanbod van expo’s oude kunst van de laatste twintig jaar. Het belooft druk te worden in Den Bosch; kaartjes zijn al sinds 30 november 2015 online te koop. 

Matthias Depoorter

Jeroen van Aken

 

Het is niet de eerste keer dat ’s-Hertogenbosch het schouwtoneel van een groot Bosch-retrospectief is. In 1967 verzamelde men een rits schilderijen en tekeningen die maar liefst 267.000 kijklustigen lokten. De stad is van februari tot mei een artistiek middelpunt. Het contrast met Bosch’ eigen tijd kan niet groter zijn, toen was het nog een artistiek tochtgat en geenszins een magneet voor kunstenaars. Nijmegen en vooral Haarlem waren toen de belangrijke kunstencentra in de Noordelijke Nederlanden.   

Wat weten we eigenlijk over de kunstenaar die in geen enkel kunsthistorisch vakje thuishoort? Jeroen van Aken, beter bekend onder zijn nom de plume Jheronimus Bosch, werd vermoedelijk rond 1450 in ‘s-Hertogenbosch geboren in een familie van schilders. Zijn grootouders waren uit het Duitse Aachen westwaarts gemigreerd naar Nijmegen. Zijn vader, Antonius van Aken (ca. 1420-1478), werd vervolgens in 's-Hertogenbosch gesignaleerd. Zijn moeder heette Aleid van der Mynnen (ca. 1430-1455/76). Bosch werd geboren in een gezin met vijf kinderen, waarvan vier het schilderspenseel opnamen. Er kan geen werk met zekerheid aan zijn familieleden toegeschreven worden.

In 1475 duikt hij voor het eerst als schilder in de archieven op. Rond 1480 trouwde hij met Aleid van de Meervenne (ca. 1450-1522/23), een dochter van een welstellend lid uit het locale patriciaat. Geen slechte keuze van Bosch, die al vroeg van een zekere welstand kon genieten. Van den Meervenne bezat landerijen en een boerderij, onroerend goed dat ze later verkocht. Het huis dat ze betrokken, Inden Salvatoer, lag in een goed kwartier aan de markt. Later verhuisden ze naar het huis met de naam Het root Cruijs. Ook dit pand had zijn vrouw geërfd.

In 1486 werd Bosch lid van de Broederschap van Onze-Lieve-Vrouw. Hierin was de elite van de stad gegroepeerd. In 1488 werd hij zelfs een gezworen lid, wat wijst op de nodige status. Voor de Broederschap schilderde hij verschillende werken. In datzelfde jaar erfde Bosch van zijn vrouw een huis met grond in het Schildersstraetken. Na 1500 zat onze man er zo goed voor dat hij eigenlijk niet meer hoefde te schilderen. Belastingsgegevens tonen aan dat hij tot de 10 rijkste burgers van de stad behoorde. Op 9 augustus 1516 werd in de Sint-Janskerk een herdenkingsmis voor Jheronimus Bosch gehouden. Hij moet op het kerkhof rond de kerk begraven zijn, maar van zijn graf is men het spoor bijster.

 

Jeroen Bosch, Gulzigheid en lust, New Haven Yale University Art Gallery

 

Het Bosch-onderzoek

‘Wie zal verhalen wat al wonderlijke fantasieën van spooksels en hellegedrochten Jeronimus Bos in het hoofd heeft gehad en met het penseel heeft vormgegeven, fantasieën die meer gruwelijk dan aangenaam waren om te zien.’ Kunstenaarsbiograaf Karel van Mander is aan het woord in zijn Het Schilder-boeck uit 1604. Velen voelden zich geroepen om de fantasieën die aan Bosch’ brein ontsproten zijn te bespreken. Schappen vol boekenwijsheid en onzin zijn gewijd aan de ware toedracht van zijn visioenen. Legendarisch, vooral in kunsthistorische kringen, is de frase van de eminente kunsthistoricus Erwin Panofsky (1892­1968): This, too high for my wit, I prefer to omit. Met die witz distantieerde Panofsky zich van het oeverloze debat over de theologisch­moralistische insteek van het oeuvre.

 

Om die duivel en zijn vele afgeleiden van dichtbij te observeren, doe ik een beroep op één van die vele boekwerken. Voor me ligt de kolos die Taschen in 2013 wijdde aan het genie uit Noord-Brabant. Het is een klepper van 29 bij 39,5 cm. Boeken waarvoor je een bijzettafel nodig hebt, heerlijk is dat. Paginagrote detailfoto’s gidsen je door het oeuvre van de meester, met schilderijen en tekeningen die je beter kan monsteren dan in gelijk welk museum. Bij Bosch is dat ook functioneel: the devil is in the detail, nietwaar. Of god? Met de kolos van Taschen heb je alles bij elkaar zonder huizenhoge verzekeringsdeals, schadeclaims, conditierapporten, begeleide transporten, uitwisselingsdeals, of bezoekers die je het zicht ontnemen. Geen enkel werk is blootgesteld aan deze of gene calamiteit.

 

Bosch’ oeuvre bestaat uit slechts circa 45 werken, ongeveer gelijk verdeeld over schilderijen en tekeningen, en afkomstig uit 20 collecties en 10 verschillende landen. Daarvan zijn 20 schilderijen en 19 tekeningen op de afspraak in ‘s-Hertogenbosch. Dat is hallucinant veel. De hele Bosch onder één dak? Behalve dan onder andere zijn magnum opus, De Tuin der Lusten, die het Prado in Madrid niet verlaat. Ook in Madrid houdt men overigens een Bosch-retrospectief.

 

Oude meesters en toeschrijvingen, het blijft, ook met de nieuwste natuurwetenschappelijke apparatuur een hachelijke en veelbesproken onderneming. Een expo met een omvang als die van Jheronimus Bosch - Visioenen van een genie, zwaar aangezet en gecombineerd met een uitgebreid nevenprogramma, is hét moment om ook fondsen te laten vloeien naar nieuw kunstwetenschappelijk onderzoek. Sinds 2010 neemt het Bosch Research and Conservation Project (BRCP) het corpus van aan de meester toegeschreven werken onder de loep.

 

Wat was het hoofddoel van het BRCP? De oeuvrecatalogus in een ‘definitieve’ plooi leggen?

 

Matthijs Ilsink (curator BRCP): “Wij hebben niet de illusie dat met ons onderzoek het laatste woord over het oeuvre van Bosch is gezegd. Zo werkt het niet, ook niet voor Rubens of Rembrandt of andere kunstenaars. Het is wel zo dat met dit diepgravende onderzoek de werken van Bosch letterlijk en figuurlijk beter dan voordien in beeld zijn gebracht.

 

Ik ben heus niet de enige die bij een bezoek aan het Museum voor Schone Kunsten in Gent (MSK) een deel van zijn tijd spendeert in de nabijheid van De Kruisdraging en De heilige Hiëronymus. Die laatste is minder exuberant dan we van de meester gewoon zijn. Het is zelfs een opvallend sereen werk met een beeldig landschap. Het eerste valt dan weer op door zijn formaat en compositie. Groteske en karikaturale tronies zijn tegen het beeldvlak geplakt. Elke kop is anders. Slechts Jezus en Veronica, met zweetdoek, zijn de kalmte zelf, ingesloten door de claustrofobische massa. Specialisten zijn het nooit eens geweest over de toeschrijving aan Bosch. Bij Stefan Fischer prijkt het in de lijst van atelierproducten en navolgers. Ook het BRCP verwierp het paneel. Stilistisch, compositorisch en inhoudelijk past het niet in het algemeen aanvaarde oeuvre. De interesse voor groteske koppen gaat terug op studies van Leonardo Da Vinci (1452-1519), die hiermee op zijn beurt Antwerpse schilders als Quinten Massijs (ca. 1466-1530) inspireerde. Men gelooft dan ook dat De Kruisdraging uit de Antwerpse schildersscene van rond 1520 stamt.

 

Daalt de artistieke waarde van een werk als het niet meer aan een algemeen aanvaard genie is toegeschreven? Vindt men van wel, dan is een akelig soort snobisme in het spel. Mijn onderhoud met het paneel zal er alleszins niet onder lijden. Maar wat gebeurt er met de aantrekkingskracht van één van de uithangborden van het museum? In pecuniair opzicht doet het MSK geen goede zaak, zoveel is zeker. Aanvaardt men de gewijzigde toeschrijving, dan ziet men zich genoodzaakt om de cultuurhistorische achtergrond van het schilderij anders te interpreteren en te communiceren. Zowel de maker als de artistieke achtergrond zijn dan grondig gewijzigd. Zijn er überhaupt harde bewijzen, feitelijke gegevens, die de oude toeschrijving terecht ondermijnen? Zelfs met geavanceerde onderzoeksmethoden blijft oude kunst onderhevig aan het kennersoog van specialisten die het al te vaak oneens zijn met elkaar.”

 

Jeroen Bosch, Visioenen van het hiernamaals, ca. 1505-15, Venetië, Museo di Palazzo Grimani

 

Kan u kort de verwerping van de toeschrijving van De Kruisdraging toelichten?

 

Matthijs Ilsink: “Alle onderzoeksresultaten zijn op 1 februari gepresenteerd en belicht. Het museum was natuurlijk al langer van onze bevindingen op de hoogte. De Kruisdraging dook pas aan het begin van de twintigste eeuw op. Het behoorde tot een groep van schilderijen die toen ook aan Bosch werden toegeschreven. Na verloop van tijd zijn ze hun status kwijtgeraakt. Dendrochronologisch en stilistisch onderzoek zorgden ervoor dat de argumenten pro Bosch vervielen. Met ons onderzoek hebben we het oeuvre zorgvuldig in kaart gebracht en zijn we na bestudering van de ondertekening, de verflagen en stilistische analyse tot dit besluit gekomen. Al onze data zijn in de wetenschappelijke oeuvrecatalogus bekendgemaakt en het beeldmateriaal is online raadpleegbaar. Wij zijn dan ook benieuwd hoe andere experts erover nadenken. Zij kunnen alles vrijelijk controleren en, indien gewenst, een weerwoord formuleren. Argumenten om De Kruisdraging als een eigenhandige Bosch te zien ontbreken simpelweg. Ik kan u dus niet uitleggen waarom dit schilderij van Bosch zou zijn.”

 

Het BRCP verwierp eveneens De zeven hoofdzonden uit het Museo del Prado in Madrid als een echte Bosch. Pilar Silva, conservator bij het Prado, was niet opgetogen over de stelligheid waarmee het ‘nieuws’ werd verkondigd en twijfelde in de pers over de expertise van het BRCP. Wat vindt u van die ronduit venijnige kritiek?

 

Matthijs Ilsink: “Ja, dit werk kennen we al veel langer dan dat uit het MSK. Al in de zestiende eeuw dook het op in de collectie van de Spaanse koning Filips II. En al vanaf dat moment betwistten Spaanse bronnen het auteurschap. Of het was een atelierproduct, of een navolger van Bosch had het geschilderd. Het nieuws dat wij verspreid hebben was dus eigenlijk niet zo nieuw.”

 

Bent u nog on speaking terms met het Prado?

 

Matthijs Ilsink: “We hebben uitstekend met het museum samengewerkt voor het onderzoek. We zijn ook zeer blij met de komst van De Hooiwagen naar de expo. We konden ook de Keisnijding onderzoeken en de Aanbidding der Koningen, maar De zeven hoofdzonden mochten we jammer genoeg niet onder handen nemen. Het Prado heeft zelf onderzoek uitgevoerd, zo hebben ze via de media laten weten. Wij hopen dat zij, net als wij, de resultaten ervan in alle transparantie zullen communiceren. Kijk, we moeten er niet flauw over doen, er zijn verschillende belangen in het spel. De belangen van het onderzoek en die van het museum zijn gewoon niet altijd dezelfde.

Er was dan weer uitstekend nieuws voor het Groeningemuseum in Brugge. Stond hun Laatste oordeel geseind als een triptiek van een ateliermedewerker, dan kan men het nu, na de uitspraak van het BRCP, als een eigenhandige Bosch proclameren. You win some, you lose some.

 

Jeroen Bosch, De Dood en de vrek, ca. 1500-10, Washington, National Gallery of Art, Samuel H. Kress Collection

 

Waar bent u het meest trots op? In welk opzicht verschilt deze tentoonstelling van voorgaande?

 

Matthijs Ilsink: “Dat we een expo hebben kunnen maken waaraan gedegen onderzoek ten grondslag ligt. We hoefden dan ook niet mee te doen aan een soort van ratrace. Daar gaat het bij blockbuster-tentoonstellingen vaak om. Dan gaat het toch vaak meer om gezeul met eeuwenoude kunstwerken. Niet alle verhalen van zulke grote expo’s zijn even goed. Soms is het maar een dun verhaaltje. Bij ons zullen er negen gerestaureerde werken te zien zijn. We hebben dus de bewaartoestand verbeterd. Dan ben je bezig met het behoud en het beheer van cultureel erfgoed en niet alleen met een expo die slechts twaalf weken zal te zien zijn.”

 

De Hooiwagen

 

Eén van de vele hoogtepunten in Jheronimus Bosch – Visioenen van een genie is het drieluik De Hooiwagen, geschilderd rond 1510-1515. Het stuk dat Filips II (1527-1598) in 1570 kocht, heeft Spanje voor het eerst verlaten. Het was al tot diep in januari te zien in De ontdekking van het dagelijkse leven in het Museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam. Nu dus in het Noorbrabants Museum. Reizen is één van de themata die in het stuk geëvoceerd worden. Met dun opgebrachte verf penseelde Bosch op de buitenzijde de weg van de solitaire reiziger langs het pad des levens. De passant is gepakt, met zijn hebben en houden op zijn rug. Een pelgrim en een vreemdeling in een dreigende wereld. Overal loert het kwaad.

 

De dood waart rond in het universum van Bosch: bonte kraaien azen, houden zich op rond het skelet van een paard. Op de top van een heuvel staat een galg. De reiziger houdt met zijn stok een valse hond van zich af en in de achtergrond doen mensen elkaar de duivel aan. De eenzaat bewandelt een smal wegje over een water, met een platte steen die gebarsten is. Het levenspad kronkelt langs een afbrokkelend weggetje. Bosch zegt ons dat alleen het ware geloof redding kan brengen. Maar dat botte, opdringerige moralisme splitst hij ons in de maag op volstrekt eigenzinnige wijze. Bosch deed namelijk zijn zin, niet evident voor een handswerkman op het snijpunt van de middeleeuwen en de nieuwe tijd. Meer dan zijn collega’s ontwierp Bosch persoonlijke statements. Bij Bosch tref je weinig bandwerk aan. En net als Jan van Eyck (ca. 1385/90-1441) was hij zelfbewust en signeerde hij zijn werk.

 

Jeroen Bosch, De Hooiwagen, 1510-16, Madrid, Museo Nacional del Prado. Met speciale medewerking van het Museo Nacional del Prado. Foto: Rik Klein Gotink en beeld bewerking Robert G. Erdmann voor het Bosch Research en Conservation Project

 

Wat vindt u van het godvrezende wereldbeeld van Bosch? Heeft hij ons anno 2016 nog iets te zeggen of te leren?

 

Matthijs Ilsink: “We kunnen sowieso leren van Bosch hoe zijn creaties op een zeer vrije manier ontstaan zijn. Hij liet zich minder beperken door conventies en beeldtradities. Het was toch een vrijheid van denken waarbij hij nieuwe paden bewandelde. En dat kan ons tot voorbeeld strekken.

Het theologisch-moralistische discours staat wel verder van ons. Alhoewel. In De Hooiwagen zie je al die grijpgrage, hebberige mensen. Met z’n allen lopen ze erachteraan. Dat beeld kan je vergelijken met de werking van banken, beurzen en zelfs de wereld van het voetbal. Zeer bij de tijd. Bosch vond dit beeld van een hooiwagen overigens ook zelf uit. Een soortgelijke beeldtraditie bestond toen nog niet.”

 

Net zoals hedendaagse kunst heeft Bosch’ werk uitleg nodig. Is er iconografisch onderzoek gevoerd? Doen jullie uitspraken over de inhoud van zijn werken?

 

Matthijs Ilsink: “Wij zijn gestart met een object-gerelateerd onderzoek. Daarbij kwam ook analyse van archieven en documenten kijken. Vervolgens werd er belang gehecht aan het conservatoire luik, om dan uiteindelijk bij de beelden zelf uit te komen. Wat de betekenis is van zijn werken en allerlei kwesties, komt aan bod in de oeuvrecatalogus. Het is niet alleen een verhaal voor de specialisten, maar ook voor een groot publiek.

 

 

Gaat het drieluik open, dan aanschouwen we de zondeval en alle gevolgen van dien, als een spiegel waarin we onze eigen levens, dwalingen en onontkoombare dood aanschouwen. De demagoog in Bosch toont hoe het niet moet – exempla contraria. Verzinnebeelding van alle zonden is de afgeladen hooiwagen. Het hooi, waarnaar alle aanwezigen snakken, staat voor vergankelijkheid. Het triggert de verlangens van de mens. Mensen uit alle sociale strata adoreren het hooi, als was het een godheid. De gulzige en ijdele mensheid, verblind door aardse verlokkingen. Paus, keizer en koning, en ook leden van de clerus lopen mee in de processie. Bovenop de hooiberg geeft een koppeltje zich over aan de vleselijke geneugten op de tonen van wereldse muziek. Geen seks, drugs en rock-‘n-roll voor Bosch en vele andere pilaarbijters. Het vergankelijke hooi doet hen hun vrees voor god vergeten, leidt hen van het rechte pad af. De hooiwagen hobbelt recht naar de hel.”

Jheronimus Bosch

Visioenen van een genie

 

Het Noordbrabants Museum

’s-Hertogenbosch

 

Nog tot 8 mei 2016

 

www.hnbm.nl

 

http://boschproject.org/